Dutch Language School - Contact Us
The Place to Learn Dutch
exam centre GCSE AS-Level A-Level CNaVT

Test Your Dutch

This test consists of 130 questions and takes about 30 to 40 minutes to complete.

Please enter your details and answer all the question. If you are unsure about any answers then just make you best guess.

When your are finished, click on the 'Submit Test' button at the bottom, and we'll send you an e-mail with your score.

If you wish the result to be an accurate reflection of your current level, then please complete the test on your own, without help from dictionaries, friends, spell checkers, etc.

Please check that you can see all 130 questions and the 'Submit Test' button before starting the test.

Good luck!

YOUR DETAILS
   
First name: *
Last name: *
Title: *

E-mail address:

*
Address: *
Address:
Town/City: *
Postcode: *
County/Region:
Country: *
What would you say is your current level in Dutch? *
Your Age: 12 and under
13 - 15
16 - 19
20 - 29
30 - 39
40 - 49
50 - 59
60 and over
*
* Required Fields  

 

SECTION A
Choose the correct article.

   
Example: ……… tafel Answer: de tafel
 
1. ……… huis (a) de (b) het
2. ……… vrouw (a) de (b) het
3. ……… meisje (a) de (b) het
4. ……… koffie (a) de (b) het
5. ……… man (a) de (b) het
6. ……… student (a) de (b) het
7. ……… raam (a) de (b) het
8. ……… school (a) de (b) het
9. ……… land (a) de (b) het
10. ……… stad (a) de (b) het
 

SECTION B
Choose the correct adjective.

   
Example: Hij drinkt ……… thee. Answer: Hij drinkt warme thee.
 
11. Ik woon in een ……… huis. (a) groot (b) grote
12. Jij hebt een ……… auto. (a) kleine (b) klein
13. Het boek is ……… . (a) interessante (b) interessant
14. Nederland heeft ……… musea. (a) leuke (b) leuk
15. Wij gaan naar een ……… park. (a) mooie (b) mooi
 

SECTION C
Choose the correct plural.

 
Example:
  (a) de kinders (b) de kinderen (c) de kinderren
 
16. (a) de huizen (b) de huisen (c) de huizes
17. (a) de lesen (b) de lessen (c) de lesses
18. (a) de briefen (b) de brieves (c) de brieven
19. (a) de studentes (b) de studenten (c) de studentten
20. (a) de pennen (b) de pens (c) de pennes
21. (a) de kats (b) de katen (c) de katten
22. (a) de uurren (b) de uuren (c) de uren
23. (a) de schoolen (b) de scholen (c) de schools
24. (a) de meisjes (b) de meisjen (c) de meisje's
25. (a) de taxis (b) de taxi's (c) de taxiën
 

SECTION D
Choose the correct preposition.

 
Example: Het kind luistert ……… de radio.
  (a) naar (b) op (c) aan
 
26. Zij loopt ……… de winkel.
  (a) tot (b) naar (c) na
27. Wij kijken ……… de film.
  (a) in (b) naar (c) voor
28. Kopen jullie brood ……… de bakker?
  (a) in (b) aan (c) bij
29. Zij zitten ……… tafel.
  (a) op (b) aan (c) van
30. Thijs studeert ……… de universiteit.
  (a) aan (b) in (c) bij
31. Moet je lang wachten ……… de bus?
  (a) naar (b) op (c) tot
32. Hoe gaat het ……… je moeder?
  (a) voor (b) van (c) met
33. De pen zit ……… de tas.
  (a) in (b) bij (c) tussen
34. Wij komen ……… zeven uur.
  (a) om (b) bij (c) naar
35. Het is tien minuten ……… vier.
  (a) tegen (b) na (c) over
 

SECTION E
Choose the correct verb conjugation.

   
Example: Jullie ……… thuis. Answer: Jullie zijn thuis.
 
36. Ik ……… lerares. (a) heb (b) been (c) ben
37. ……… jij een fiets? (a) Heb (b) Hebt (c) Heeft
38. Wij ……… een tuin. (a) heben (b) hebben (c) heeft
39. Nienke ……… knap. (a) zijn (b) is (c) bent
40. Wie ……… U?. (a) is (b) heeft (c) bent
 

SECTION F
Choose the correct negation.

   
Example: Ik heb ……… honger. Answer: Ik heb geen honger.
 
41. Wij zijn ……… thuis. (a) geen (b) niet
42. Wij willen ……… computer kopen. (a) geen (b) niet
43. U hebt ……… geld. (a) geen (b) niet
44. Hij fietst ……… in Nederland. (a) geen (b) niet
45. Zij houden helemaal ……… van tulpen. (a) geen (b) niet
 

SECTION G
Choose the correct verb conjugation.

   
Example: ……… jullie samen naar België? Answer: Reizen jullie samen naar België?
 
46. Ik ……… de krant.
  (a) leezt (b) lees (c) leest
47. Jij ……… op straat.
  (a) loopt (b) loop (c) lopt
48. U ……… uw moeder op.
  (a) belt (b) bellt (c) bel
49. Mayke ……… op kantoor.
  (a) werk (b) werktte (c) werkt
50. Zij ……… volgende week op vakantie.
  (a) gat (b) gaat (c) gaten
51. Het ……… erg laat.
  (a) is (b) ben (c) bent
52. Wij ……… al drie maanden in Brabant.
  (a) woont (b) wonnen (c) wonen
53. Jullie ……… al goed Nederlands.
  (a) praaten (b) pratten (c) praten
54. ……… zij samen een boek?
  (a) Schrijfen (b) Schrijven (c) Schrijft
 

SECTION H
Choose the correct verb conjugation.

   
Example: Wij ……… een caravan. Answer: Wij huurden een caravan.
 
55. Ik ……… vroeger in 's Hertogenbosch.
  (a) woonde (b) wonde (c) woonte
56. Jij ……… vorig jaar toch Nederlands?
  (a) lerde (b) leerde (c) leerte
57. Wouter ……… op zijn vriend.
  (a) wachten (b) wachte (c) wachtte
58. Hilde ……… iedere zomer naar Afrika.
  (a) reisde (b) reizde (c) reiste
59. Het ……… veel in de herfst.
  (a) regenden (b) regente (c) regende
60. Vorige week ……… wij elkaar elke dag op.
  (a) bellden (b) belden (c) belde
61. ……… jullie je koffers in?
  (a) Pakten (b) Pakden (c) Pakte
62. Gisteren ……… zij de hele middag.
  (a) werkten (b) werkden (c) werktte
63. U ……… gisteren voor het eerst verse haring.
  (a) proefte (b) proevde (c) proefde
64. Vroeger ……… veel mensen in armoede.
  (a) leevten (b) leefden (c) leeften
 

SECTION I
Choose the correct verb conjugation.

   
Example: ……… je de grammatica? Answer: Begreep je de grammatica?
 
65. Toen ik jong ……… , zwom ik heel vaak.
  (a) ben (b) was (c) waren
66. Na ons werk ……… we regelmatig een borrel in een café.
  (a) drinkte (b) drinkten (c) dronken
67. Vorige week ……… hij naar een tentoonstelling.
  (a) ging (b) gaande (c) gaat
68. Mijn zus ……… er goed uit.
  (a) ziende (b) zeg (c) zag
69. ……… jullie vroeger veel aardappels?
  (a) Eten (b) Aten (c) Gegeten
70. De jongens ……… afgelopen zaterdag een voetbalwedstrijd.
  (a) hebben (b) had (c) hadden
71. ……… jullie vroeger altijd naar school?
  (a) Loopten (b) Liepen (c) Gelopen
72. Het kind ……… met aandacht naar het toneelstuk.
  (a) kijkte (b) keekt (c) keek
73. Waar ……… zijn voorouders vandaan?
  (a) komden (b) kwamen (c) komten
74. De trein ……… meestal op tijd.
  (a) reed (b) rijdde (c) reet
 

SECTION J
Choose the correct verb conjugation.

   
Example: Zij zijn naar het strand ……… . Answer: Zij zijn naar het strand gefietst.
 
75. Hebt u de boodschappen vanmorgen ………. ?
  (a) gedaan (b) gedoen (c) gededen
76. Ben je al op vakantie ……… ?
  (a) geben (b) geweest (c) geweezt
77. Ik heb dit jaar nog geen vrije dagen ………. .
  (a) gehebben (b) gehebt (c) gehad
78. De leerlingen hebben hard voor het examen ………. .
  (a) gestudierd (b) gestudeerd (c) studeerd
79. Heb je koffie ……… ?
  (a) gezet (b) zette (c) gezeten
80. Wat heeft u vandaag ……… ?
  (a) geten (b) geaten (c) gegeten
 

SECTION K
Choose the correct conjunction.

   
Example: Ik heb geen auto ……… ik kan niet rijden.
Answer: Ik heb geen auto want ik kan niet rijden.
 
81. Wilt u koffie ……… thee?
  (a) maar (b) als (c) of
82. Ik ga naar huis ……… ik ben klaar.
  (a) omdat (b) want (c) voordat
83. ……… ik thuis ben, ga ik eten koken.
  (a) Als (b) Totdat (c) Toen
84. Cor geeft een feest ……… hij jarig is.
  (a) want (b) toen (c) als
85. ……… ik jong was, kon ik goed zwemmen.
  (a) Toen (b) Als (c) Want
86. Ik moet weg ……… kom ik te laat.
  (a) anders (b) wanneer (c) voordat
87. Zij houdt niet van sport ……… ze heeft een hekel aan competitie.
  (a) zodat (b) omdat (c) want
88. ………